Spelregels

Minihandbal een spelletje voor kleine kinderen of een spelvorm?
Net als bij andere teamsporten kent ook elke soort handbal haar eigen regels. Maar al te vaak worden wij tijdens Minihandbaltoernooitjes geconfronteerd met het vastgeroeste idee dat de kinderen van hun coach/trainer moeten voldoen aan normen van het 7-handbal. Bijvoorbeeld worden de kinderen in de verdediging allemaal teruggestuurd naar de cirkel om daar als schietschijf met de handen omhoog te gaan staan.

De grootte (het oppervlak) van het veld maakt Minihandbal ongeschikt voor de normale 7-handbalgebruiken. Minihandbal is ook niet alleen een spelvorm voor kleine kinderen. Ook senioren van 20 tot 88 jaar kunnen Minihandbal spelen, zolang zij zich maar aan de regels houden die bij deze spelvorm horen. Dat Minihandbal tot nu toe uitsluitend door de jongere jeugd wordt beoefend, komt omdat deze spelvorm zich bij uitstek leent om jonge spelers de grondbeginselen van het handbal bij te brengen zonder dat zij direct over dat grote veld heen en weer moeten rennen. 

Vangen, werpen en vrijlopen zijn de beginselen van elke handbalvorm. Juist omdat het veld zo klein is kunnen de kinderen deze beginselen goed leren. Zij hoeven niet direct 10 of 20 meter ver te gooien. Over kleinere afstanden weten zij elkaar te vinden en leren zij de vaardigheden die zij later op het grote veld in de praktijk kunnen brengen. Jonge kinderen, en zij niet alleen, willen maar één ding: SPELEN MET EEN BAL

Laat hen dan ook proberen die bal over de gehele eigen veldhelft te veroveren. Hierdoor ontstaat een soort man op man verdediging waardoor ieder kind gedwongen wordt te kijken wie er vrij staat en de bal op de juiste wijze af te spelen. Later bij het spelen op een groot veld hebben zij daar alleen maar profijt van. En het verdedigen op de cirkel komt op het 'grote' veld vanzelf, wees daar maar niet ongerust over.

Minihandbal is een feest!!…. én dat moet het blijven ook!!
Dit kan echter alleen maar met de hulp van ouders, begeleiders en trainers. Bij hen allen moet het plezier van het kind voorop staan.

Moedig het kind aan in zijn pogingen de bal te veroveren. Houdt het spel levendig, maak er geen statisch gebeuren van. Begin ook niet direct met een vaste keeper, maar laat ieder een keer in het doel staan.

Trainingen:
Ook de trainingen moeten afgestemd zijn op de mogelijkheden van het kind. Rondjes lopen en kniebuigingen zijn in zijn algemeenheid overbodige zaken bij kinderen in de leeftijd tot de B-jeugd. Een warming-up in de vorm van rekken en strekken van de spieren is medisch gezien bij deze leeftijdscategorie zelfs uit den boze. Spellen en speloefenvormen zijn er legio. Laat de kinderen zoveel mogelijk spelen met een bal. Probeer zoveel mogelijk met zijn tweeën training te geven, zodat de één indien nodig extra aandacht kan schenken aan individuele kinderen. Probeer ook de training voor deze categorie kinderen tot een feest te maken. U zult zien dat ze het "spelletje" hierdoor veel sneller onder de knie krijgen. Het zal tevens andere kinderen uitnodigen het zelf ook eens te proberen.

Het Minihandbal in de afdeling Rotterdam wordt als volgt gespeeld:

Speloppervlak
Het speloppervlak bestaat uit een rechthoek van 12 x 20 meter en 2 doelgebieden (zie figuur1). In het midden van de doellijn bevindt zich het doel (zie figuur2). Vanuit het midden van het doel wordt een cirkel met een straal van 5.00 meter getrokken. De vrije-worplijn en de strafworplijn blijven bij Minihandbal achterwege.

alt alt

De speeltijd bedraagt 2 x 15 minuten met een rust van 10 min.

De bal bestaat uit een buitenbal van leder of kunststof en moet rond zijn en niet te hard opgepompt. Een minibal moet een omtrek hebben van 46 á 48 cm. en een gewicht van 225 a 275 gr.

De spelers
Een team kan zijn samengesteld uit jongens en/of meisjes en bestaat uit een keeper en vier (of in overleg met de andere partij eventueel vijf) veldspelers. De overige spelers zijn wisselspelers. De wisselspelers mogen gedurende het spel op elk gewenst moment het speelveld betreden. De te wisselen spelers moeten echter eerst zoveel mogelijk het speelveld verlaten hebben. De doelverdedigers mogen onderling naast het doel wisselen. Wisselfouten van de mini's worden niet bestraft, maar wel verbeterd.

Het spelen van de bal
Hoe een bal gespeeld moet worden, dient men bij de mini's ruim op te vatten. Volgens een methodische opbouw behoort men de mini's het juist spelen van de bal aan te leren. Bij te veel stuiten of te veel passen dient men dit niet te bestraffen, maar juist uit te leggen wat er fout is en het goed over te laten doen. Er mag alleen op de eigen helft van het speelveld worden gestoord. Dribbelen niet verbieden, maar erop toezien dat dit goed gebeurt. Tevens moet men erop letten dat iedere speler in het spel betrokken wordt, geen spelers overslaan. Oftewel: ieder een keer de bal spelen voordat er op het doel geschoten wordt. 

Gedrag tegenover de tegenpartij
Bij het gedrag ten opzichte van de andere partij behoort men zeer consequent te zijn. Onjuist gedrag zoals onnodig lichaamscontact, de bal uit de handen slaan, trekken of tikken moet worden afgefloten. De overtreder wordt op zijn fouten gewezen en het spel kan worden voortgezet, de overtreder wordt niet gestraft en krijgt "de bal mee". Bij vermeende opzet of herhalingen van overtredingen laat men de mini, na contact te hebben gehad met de betrokken teamleider, eventueel even wisselen. 

In-/uit en beginworp
Bij een begin en inworp dienen de mini's één meter afstand te nemen. Raakt de verdediger als laatste de bal aan voordat deze over de achterlijn gaat, dan volgt geen inworp in de hoek (hoekworp), maar een gewone uitworp van de keeper. Na een doelpunt wordt de bal door de keeper, vanuit de cirkel, weer in het spel gebracht - dus niet middenuit. Het team wat gescoord heeft bevindt zich dan weer op eigen helft. 

Doelworp
Bij een op het doel geworpen bal die terugspringt van de lat (dan wel dichte plank, aangebracht om het doel te verkleinen) geldt: doorspelen. De bal blijft gewoon in het spel en kan worden gespeeld. Dit omdat anders verschillen gaan ontstaan tussen speelwijze bij mini's en oudere kinderen. 

De overige worpen
De vrije worp, strafworp en scheidsrechtersworp komen bij minihandbal niet voor. Dit betekent niet dat er bij overtredingen niet moet worden gefloten. De overtreder wordt na het fluitsignaal niet bestraft, maar er wordt verteld wat hij/zij verkeerd heeft gedaan. Daarna wordt de gelegenheid gegeven om de fout te herstellen. Dus het spel laten hervatten door de balbezitter voordat de overtreding werd gemaakt. Kijk naar het niveau van de kinderen bij leiden en fluiten. De "echte" spelregels gaan meer betekenis krijgen als de kinderen al langer handballen.